Wanneer besluit CBR idzv artikel 1:3 Awb
Soms stuurt het CBR brieven en dan is het juridisch de vraag of die brief als een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb valt aan te merken. Alleen tegen zo’n besluit bestaat namelijk de mogelijkheid om een bezwaarschrift in te dienen. Op grond van artikel 1:3 lid 1 Alegemene wet bestuursrecht wordt onder een besluit verstaan: “Een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Er zijn verschillende mogelijkheden.
- Brief CBR dat betrokkene zich moet laten onderzoeken in het kader van de gezondheidsverklaringsprocedure
Ten eerste is sprake van een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan. Het CBR is belast met de uitvoering van publiekrechtelijke taken op grond van de Wegenverkeerswet 1994 en het Reglement rijbewijzen en heeft belanghebbende schriftelijk medegedeeld dat hij zich dient te onderwerpen aan een nader onderzoek door een keuringsarts.
Ten tweede is sprake van een publiekrechtelijke rechtshandeling. De bevoegdheid om een betrokkene te verplichten zicht te laten onderzoeken door een door het CBR aangewezen arts vindt haar grondslag in artikel 101 Reglement rijbewijzen. Het betreft derhalve een publiekrechtelijke bevoegdheid.
Voorts is de beslissing rechtsgevolggericht. Door de verwijzing ontstaat voor belanghebbende de verplichting om op eigen kosten een medische keuring te ondergaan. Indien belanghebbende geen gehoor geeft aan deze vordering kan het CBR niet tot een positieve beoordeling van de aanvraag komen. De beslissing brengt derhalve een onmiddellijke wijziging teweeg in de rechtspositie van de betrokkene. Daarnaast wordt belanghebbende geconfronteerd met financiële lasten en wordt hij verplicht medische gegevens te laten verzamelen en verstrekken. De beslissing heeft daarmee zelfstandige rechtsgevolgen die verder gaan dan enkel een interne of feitelijke voorbereidingshandeling. De verwijzing bepaalt immers in belangrijke mate de verdere procedure en legt belanghebbende een concrete verplichting op die rechtstreeks voortvloeit uit de publiekrechtelijke bevoegdheid van artikel 101 Reglement rijbewijzen. Voor zover zou worden geoordeeld dat de verwijzing onderdeel vormt van de voorbereiding van het uiteindelijke besluit omtrent de verklaring van geschiktheid, geldt dat deze beslissing betrokkene zelfstandig en rechtstreeks in zijn belangen treft. Tegen een dergelijke beslissing dient daarom rechtsbescherming open te staan. Het bezwaar dient derhalve ontvankelijk te worden verklaard.
- Brief dat rijbewijs betrokkene ongeldig blijft
De rechtbank ziet zich in ECLI:NL:RBOVE:2024:361 vooreerst gesteld voor de vraag hoe het gehandhaafde primaire besluit juridisch moet worden geduid. Doordat de ongeldigheid van eisers rijbewijs gehandhaafd blijft, is strikt genomen geen sprake van enig publiekrechtelijk rechtsgevolg. Nu eiser, gelet op het bepaalde in artikel 134, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw 1994), voordat hij in aanmerking kan komen voor een rijbewijs, eerst dient aan te tonen dat hij over de lichamelijke en geestelijke geschiktheid beschikt die vereist is om motorrijtuigen te kunnen besturen, dient de vaststelling van de uitslag van een dergelijk onderzoek naar zijn geschiktheid naar het oordeel van de rechtbank te worden aangemerkt als een beschikking in de zin van artikel 1:3, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waartegen de rechtsmiddelen op grond van de Awb open staan. Zolang de vastgestelde uitslag van het onderzoek inhoudt dat eiser niet geschikt is om motorrijtuigen te besturen, kan hij niet in aanmerking komen voor een rijbewijs.
Een ander antwoord op de vraag waarvoor de rechtbank zich gesteld ziet, zou er toe hebben geleid dat eiser geen (laagdrempelige) mogelijkheid zou hebben om een rechtsmiddel aan te wenden tegen de vaststelling van de uitslag van een dergelijk onderzoek. Die consequentie acht de rechtbank gelet op de grote gevolgen die de vaststelling van deze uitslag heeft voor eiser niet aanvaardbaar.
< Terug naar Algemene verweren