Algemene verweren Archives - CBR-Advocaat https://cbr-advocaat.nl/verweren/ Tue, 11 Feb 2025 08:25:05 +0000 nl-NL hourly 1 https://wordpress.org/?v=6.6.2 Proceskostenvergoeding voorlopige voorziening na tussentijds gegrondverklaring bezwaar https://cbr-advocaat.nl/proceskostenvergoeding-voorlopige-voorziening-na-tussentijds-gegrondverklaring-bezwaar/ https://cbr-advocaat.nl/proceskostenvergoeding-voorlopige-voorziening-na-tussentijds-gegrondverklaring-bezwaar/#respond Tue, 11 Feb 2025 08:25:05 +0000 https://cbr-advocaat.nl/?p=2155 Als u een voorlopige voorziening hebt ingediend en het CBR naar aanleiding van het bezwaarschrift al meteen het bezwaar gegrond verklaard, hebt u ook recht op een proceskostenvergoeding. De rechtbank Rotterdam heeft dit nog eens bevestigd in de uitspraak, 3 april 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:2690: De rechtbank overweegt: “Als een verzoek om een voorlopige voorziening wordt ingetrokken […]

The post Proceskostenvergoeding voorlopige voorziening na tussentijds gegrondverklaring bezwaar appeared first on CBR-Advocaat.

]]>
Als u een voorlopige voorziening hebt ingediend en het CBR naar aanleiding van het bezwaarschrift al meteen het bezwaar gegrond verklaard, hebt u ook recht op een proceskostenvergoeding. De rechtbank Rotterdam heeft dit nog eens bevestigd in de uitspraak, 3 april 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:2690:
De rechtbank overweegt:

“Als een verzoek om een voorlopige voorziening wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoet gekomen, kan de voorzieningenrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Artikel 8:75a van de Awb is op grond van artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb ook van toepassing op de voorlopige-voorzieningenprocedure.”

Het criterium is dat het CBR met het nieuwe besluit aan het verzoek is tegemoetgekomen. Dat was het geval.

Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek om het CBR in de proceskosten te veroordelen toe.

De rechtbank kan zonder zitting uitspraak doen op het verzoek. Dat volgt uit artikel 8:84, vijfde lid, in samenhang met artikel 8:75a en artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

The post Proceskostenvergoeding voorlopige voorziening na tussentijds gegrondverklaring bezwaar appeared first on CBR-Advocaat.

]]>
https://cbr-advocaat.nl/proceskostenvergoeding-voorlopige-voorziening-na-tussentijds-gegrondverklaring-bezwaar/feed/ 0
Termijn opleggen onderzoek of cursus is 6 maanden na aanhouding https://cbr-advocaat.nl/termijn-opleggen-onderzoek-of-cursus-is-6-maanden-na-aanhouding/ https://cbr-advocaat.nl/termijn-opleggen-onderzoek-of-cursus-is-6-maanden-na-aanhouding/#respond Tue, 11 Feb 2025 08:02:48 +0000 https://cbr-advocaat.nl/?p=2152 In beginsel geldt er een termijn van 6 maanden na datum constateren van het te hoge alcoholgehalte. Als die termijn wordt overschreden, mag het CBR geen maatregel meer opleggen, tenzij er sprake is van ‘in de aard gelegen omstandigheden die dit rechtvaardigen. Dit speelde o,a, in de zaak van de Rechtbank Limburg, 24 juni 2024,ECLI:NL:RBLIM:2024:8041: […]

The post Termijn opleggen onderzoek of cursus is 6 maanden na aanhouding appeared first on CBR-Advocaat.

]]>
In beginsel geldt er een termijn van 6 maanden na datum constateren van het te hoge alcoholgehalte. Als die termijn wordt overschreden, mag het CBR geen maatregel meer opleggen, tenzij er sprake is van ‘in de aard gelegen omstandigheden die dit rechtvaardigen.


Dit speelde o,a, in de zaak van de Rechtbank Limburg, 24 juni 2024,ECLI:NL:RBLIM:2024:8041:

Relevante feiten: Eiser is op 29 april 2022 aangehouden in Oostenrijk. De mededeling van de directeur van het CBR dateert van 17 november 2022. Op 23 november is besloten dat eiser verplicht is een EMA te volgen. Met het bestreden besluit van 6 maart 2023 op het bezwaar van de eiser is het CBR bij dat besluit gebleven. Het beroep wordt gegrond verklaard.

De rechtbank zette het volgende juridisch kader uiteen:

    • Het CBR moet een EMA opleggen als er bij een bestuurder een ademalcoholgehalte is geconstateerd dat hoger of gelijk is dan 435 ug/l, maar lager is dan 785 ug/l.
    • Er mag niet meer dan 6 maanden zitten tussen de constatering van het te hoge ademalcoholgehalte en de mededeling dat het CBR daarover doet.
    • Op het moment dat er sprake is van overschrijding van de termijn van 6 maanden, mag er in beginsel geen EMA meer opgelegd worden, tenzij er sprake is van ‘in de aard van de zaak gelegen omstandigheden’ die dit rechtvaardigen.

Het beroep werd gegrond verklaard, omdat in dit geval de termijn van 6 maanden waarin de constatering van het te hoge ademalcoholgehalte en de mededeling dat het CBR daarover doet, is overschreden. Het gaat hier namelijk om een termijn van 6 maanden en bijna 3 weken. De betrokkene is op 29 april 2022 aangehouden in Oostenrijk en de mededeling van het CBR is op 17 november 2022 gedaan. Er is verder ook geen omstandigheid die de overschrijding rechtvaardigt. De directeur had na ontvangst van de informatie vanuit Oostenrijk namelijk nog ruim voldoende tijd om de mededeling te doen. Dat het gaat om een melding uit Oostenrijk, en dat het CBR die niet elke dag ontvangt, is op zichzelf geen omstandigheid die termijnoverschrijding rechtvaardigt. Dat het CBR haar interne organisatie onvoldoende heeft ingericht op dergelijke meldingen of dat er intern iets is misgegaan, is geen in de aard van de zaak gelegen omstandigheid die een afwijking van de termijn van 6 maanden rechtvaardigt.

 

The post Termijn opleggen onderzoek of cursus is 6 maanden na aanhouding appeared first on CBR-Advocaat.

]]>
https://cbr-advocaat.nl/termijn-opleggen-onderzoek-of-cursus-is-6-maanden-na-aanhouding/feed/ 0
Ondanks sepot toch maatregel CBR https://cbr-advocaat.nl/ondanks-sepot-toch-maatregel-cbr/ https://cbr-advocaat.nl/ondanks-sepot-toch-maatregel-cbr/#respond Wed, 15 Jan 2025 10:30:15 +0000 https://cbr-advocaat.nl/?p=2146 Hoe kan het dat het CBR toch een maatregel (cursus of onderzoek) kan opleggen terwijl een strafzaak is geseponeerd. Dat heeft te maken met het feit dat er in de strafzaak een ander beoordelingskader wordt gehanteerd dan in de CBR-procedure. Er moet dan ook op een andere manier verweer gevoerd worden. De hoogste bestuursrechter heeft […]

The post Ondanks sepot toch maatregel CBR appeared first on CBR-Advocaat.

]]>
Hoe kan het dat het CBR toch een maatregel (cursus of onderzoek) kan opleggen terwijl een strafzaak is geseponeerd. Dat heeft te maken met het feit dat er in de strafzaak een ander beoordelingskader wordt gehanteerd dan in de CBR-procedure. Er moet dan ook op een andere manier verweer gevoerd worden.

De hoogste bestuursrechter heeft overwogen dat het CBR een EMA mag opleggen als op basis van de geconstateerde feiten met voldoende mate van zekerheid komt vast te staan dat eiser onder invloed van alcohol als bestuurder van een motorrijtuig is opgetreden (ABRvS, 11 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2352).
Het CBR mag in beginsel uitgaan van de juistheid van een op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal (vlg. ABRvS, 4 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:961) Dat geldt ook voor de rechter, tenzij eiser bewijs levert van het tegendeel.

De omstandigheid dat de officier van justitie de op dezelfde feiten gebaseerde strafrechtelijke zaak tegen eiser heeft geseponeerd bij gebrek aan bewijs kan niet bepalend zijn voor de onderhavige procedure.8 Het besluit van het CBR van 11 oktober 2023 heeft betrekking op een bestuurlijke maatregel ter bevordering van de verkeersveiligheid, die los staat van de strafrechtelijke procedure. Zoals de hoogste bestuursrechter eerder heeft overwogen door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 30 oktober 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:1715), behoeft de verweten gedraging in de CBR-procedure, anders dan in het strafrecht, niet wettig en overtuigend te worden bewezen. Voor het opleggen van een onderzoek naar de geschiktheid voor het besturen van een motorvoertuig, is voor het CBR voldoende dat op basis van de geconstateerd feiten met voldoende mate van zekerheid komt vast te staan dat de belanghebbende onder invloed van alcohol als bestuurder van een motorvoertuig is opgetreden.

Het is vaste jurisprudentie van de hoogste bestuursrechter dat een vrijspraak een rechter en een sepot door de officier van justitie in beginsel het gegronde vermoeden van ongeschiktheid in beginsel in stand laat. Dat kan anders zijn als het vonnis of het sepot de inhoud van het proces-verbaal dat ten grondslag ligt aan de maatregel onderuit haalt of op een andere manier een ander licht werpt op de feiten en omstandigheden waarop de maatregel is gebaseerd.

Zo zien we de volgende voorbeelden:

– Sepot bij weigering. Officier had de zaak geseponeerd omdat de verdachte weliswaar vervelend was geweest, maar dit onvoldoende was om tot een weigering te komen. De Afdeling dacht hier anders over (ECLI:NL:RVS:2024:4148).:
“Gelet op de inhoud van het proces-verbaal, de redenen om [appellant] aan te houden op verdenking van rijden onder invloed en het feit dat van [appellant] tot vijfmaal toe medewerking is gevorderd en hij die medewerking vervolgens in de ruimte waarin de bloedafname zou plaatsvinden heeft geweigerd door geen gevolg te geven aan het verzoek om te gaan zitten en zijn arm op de leuning te leggen, is, mede in het licht van de overige in het proces-verbaal genoemde omstandigheden, voldoende aannemelijk dat [appellant] zijn medewerking heeft geweigerd. Het CBR heeft de weigering van het bloedonderzoek ten grondslag mogen leggen aan de besluitvorming (ECLI:NL:RVS:2024:5387).
– Sepot na een verkeersovertreding. De belanghebbende betoogde dat zijn rijgedrag het gevolg wasvan de gedragingen van de politie. Hij schrok namelijk van het plotseling opdoemen van een politievoertuig met zwaailicht en sirene. Hij wilde dat voertuig zo spoedig mogelijk vrije doorgang verlenen. De stelling dat hij een stopteken heeft genegeerd, is onjuist, omdat hij slechts op zoek was naar een veilige plaats om te stoppen en hij dat niet midden op de weg kon doen. Verder heeft zijn rijgedrag, dat is veroorzaakt door gedragingen van de politie, niet tot ernstige verkeersovertredingen geleid. De strafzaak werd geseponeerd, maar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State trok zich niets van dit sepot aan
– In auto zitten met draaiende motor maar niet gereden. Strafzaak werd geseponeerd, maar de rechtbank Den Haag zag voldoende in het proces-verbaal om belanghebbende als bestuurder aan te merken. “De rechtbank wijst op de omstandigheden waarin eiser door de politie in zijn auto is aangetroffen (in zijn woonplaats op een parkeerplaats, met draaiende motor, brandende dimlichten, met zijn gordel om, de sterke alcoholwalm uit de auto, het braaksel op en naast het voertuig, zijn bloeddoorlopen ogen en de manier waarop hij communiceerde). De verklaringen van eiser over waarom hij een gordel om had en waarom de motor en ventilatie aanstonden, heeft verweerder als onvoldoende mogen aanmerken. Ook gezien wat eiser tijdens zijn verhoor door de politie heeft verklaard, mocht verweerder het daarom aannemelijk achten dat eiser voornemens was om met de auto te rijden en dus als bestuurder kan worden aangemerkt.” (ECLI:NL:RBDHA:2024:9990).

De conclusie is dus dat een sepot op zich hoopvol kan zijn om het besluit van het CBR aan te vechten, maar het gaat er uiteindelijk om dat we het proces-verbaal van de verbalisant er zelf onderuithalen. We moeten dus meer kijken naar de grond waarom de uitslag in die zaak niet kan meetellen en niet alleen focussen op het sepot zelf.

Bij een vrijspraak kan dit net even wat gunstiger wegen als de rechter ook motiveert waarom tot een vrijspraak is gekomen, zoals we zien in de volgende zaak (ECLI:NL:RVS:2024:722):
“Volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:961) mag een bestuursorgaan, in dit geval het CBR, in beginsel uitgaan van de juistheid van een op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal. Indien uit het proces-verbaal een vermoeden van ongeschiktheid tot het besturen van een motorrijtuig als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wvw kan worden afgeleid, vormt dit voldoende grondslag om een bestuursrechtelijke maatregel op te leggen. De bestuursrechter is in beginsel niet gebonden aan het oordeel van de strafrechter. Dat kan anders zijn indien het strafrechtelijke vonnis de inhoud van de processen-verbaal die ten grondslag zijn gelegd aan de oplegging van het onderzoek naar de rijgeschiktheid onderuit haalt of anderszins een ander licht werpt op de feiten of omstandigheden waarop ook de bestuursrechtelijke maatregel is gebaseerd.
Het vonnis van de politierechter dateert van na de uitspraak van de rechtbank. De feiten die in de strafprocedure zijn beoordeeld en de feiten die het CBR ten grondslag heeft gelegd aan het besluit van 25 januari 2022, dat bij besluit van 31 mei 2022 is gehandhaafd, hebben betrekking op hetzelfde feitencomplex, zodat de Afdeling de uitspraak van de politierechter bij de beoordeling van het hoger beroep zal betrekken.
5.2. Uit de zittingsaantekeningen die [appellant] heeft overgelegd blijkt met welke motivering de politierechter [appellant] heeft vrijgesproken van het weigeren van een bloedonderzoek, terwijl tegen hem een verdenking was gerezen van rijden onder invloed (artikel 163, zesde lid, van de Wvw). De politierechter heeft aan de vrijspraak ten grondslag gelegd dat de kenmerken die in het proces-verbaal van 12 januari 2022 zijn benoemd, te weten het rijgedrag van [appellant], antecedenten die betrekking hebben op drugshandel en het geïrriteerde gedrag van [appellant] bij de staandehouding, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang bezien onvoldoende zijn om daar een redelijk vermoeden van schuld aan rijden onder invloed op te kunnen baseren. Met deze vrijspraak van de politierechter is de grondslag van het vermoeden als bedoeld in artikel 23, eerste lid, onder f, van de Regeling aan het besluit tot oplegging van een onderzoek naar het drugsgebruik van [appellant] komen te ontvallen. Dat de strafrechter een andere bewijsmaatstaf hanteert dan de bestuursrechter, leidt, anders dan het CBR ter zitting heeft betoogd, niet tot een ander oordeel. In dit geval heeft de politierechter namelijk geoordeeld dat de bewijsmiddelen waarop ook het CBR het vermoeden van rijden onder invloed heeft gebaseerd, dat vermoeden niet kunnen dragen. Er is geen grond daarover in deze procedure anders te oordelen.
Het betoog slaagt.
Conclusie
6. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak wordt vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het door [appellant] tegen het besluit van 31 mei 2022 ingestelde beroep gegrond verklaren en dat besluit vernietigen vanwege strijd met artikel 131, eerste lid, van de Wvw, gelezen in verbinding met artikel 23, eerste lid, onder f, van de Regeling. De Afdeling ziet aanleiding het geschil definitief te beslechten door met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb, zelf in de zaak te voorzien. Daartoe zal zij het besluit van 25 januari 2022 herroepen en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.”

Conclusie sepot

De conclusie is dus eigenlijk dat u in de CBR-procedure goed moet uitleggen wat er in de procedure bij de politie fout is gegaan en waarom er dan onvoldoende reden is om uit te gaan van de juistheid van het proces-verbaal van de politie. Dat verweer heeft de meeste kans van slagen.

The post Ondanks sepot toch maatregel CBR appeared first on CBR-Advocaat.

]]>
https://cbr-advocaat.nl/ondanks-sepot-toch-maatregel-cbr/feed/ 0
Onterecht maatregel CBR na op bevel politie verplaatsen auto https://cbr-advocaat.nl/onterecht-maatregel-cbr-na-op-bevel-politie-verplaatsen-auto/ https://cbr-advocaat.nl/onterecht-maatregel-cbr-na-op-bevel-politie-verplaatsen-auto/#respond Mon, 13 Jan 2025 09:00:30 +0000 https://cbr-advocaat.nl/?p=2144 Een verweer dat de betrokkene op bevel van de politie de auto heeft verplaatst en daardoor heeft gereden terwijl hij dat eigenlijk niet wilde, heeft strafrechtelijk tot gevolg dat de verdachte niet strafbaar is. Het betreft een strafuitsluitingsgrond (bevoegd gegeven ambtelijk bevel). Ook in bestuursrechtelijke procedure van het CBR kan dit verweer doorwerken, zo zien […]

The post Onterecht maatregel CBR na op bevel politie verplaatsen auto appeared first on CBR-Advocaat.

]]>
Een verweer dat de betrokkene op bevel van de politie de auto heeft verplaatst en daardoor heeft gereden terwijl hij dat eigenlijk niet wilde, heeft strafrechtelijk tot gevolg dat de verdachte niet strafbaar is. Het betreft een strafuitsluitingsgrond (bevoegd gegeven ambtelijk bevel). Ook in bestuursrechtelijke procedure van het CBR kan dit verweer doorwerken, zo zien we in de uitspraak van de rechtbank Overijssel, 8 januari 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:42.

De bestuursrechter oordeelde:

Het bestreden besluit is gebaseerd op de artikelen 130 tot en met 134a van de Wegenverkeerswet en op een aantal bepalingen uit de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid.

Aan het besluit ligt ten grondslag dat het vermoeden bestaat dat eiser als houder van een rijbewijs niet langer geschikt over de rijvaardigheid of geschiktheid die vereist is voor het besturen van motorrijtuigen.

2.4.In deze zaak gaat het om de vraag of het CBR terecht op basis van de geschetste feiten heeft geconcludeerd dat genoemd vermoeden bestaat.

Hierbij is van belang dat de politierechter in een mondeling vonnis van 4 november 2024 ten aanzien van dit feitencomplex naar aanleiding van een vordering van de officier van justitie op grond van artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet heeft geoordeeld dat het tenlastegelegde wettig en overtuigend is bewezen, maar dat een rechtvaardigingsgrond van toepassing is.

De politierechter heeft eiser daarom ontslagen van alle rechtsvervolging. De politierechter heeft overwogen:

“De verdediging heeft een beroep gedaan op een rechtvaardigingsgrond, te weten artikel 43

van het wetboek van Strafvordering, een bevoegd gegeven ambtelijk bevel. De

politierechter overweegt dat niet strafbaar is hij die een feit begaat ter uitvoering van een

ambtelijk bevel gegeven door het daartoe bevoegde gezag.

Vaststaat dat de verdachte in de auto heeft gereden. Ook staat vast dat alcohol in het bloed

van verdachte is gevonden. Uit het proces-verbaal van de politie blijkt dat de verdachte na

het horen van het bevel via de speakers van de politie dat hij door moest rijden, het voertuig

heeft bestuurd. Er was gelet op deze mededeling van de politie geen andere optie voor de verdachte, het moest, Wellicht had de verdachte kunnen uitstappen en zeggen dat hij had

gedronken. Maar, als de politie iets zegt, dan moet dat gebeuren. Het handelen van de

verdachte, gesteund door de verklaring van de neef en het proces-verbaal van de politie,

resulteert erin dat sprake was van uitvoering geven aan een bevoegd gegeven ambtelijk

bevel, Er is sprake van een rechtvaardigingsgrond ex. artikel 43 Sv, en dan is de verdachte

niet strafbaar. Ontslag van alle rechtsvervolging volgt.”

2.5.Ook in deze bestuursrechtelijke procedure staan de geschetste feiten vast. Eiser kan niet worden verweten dat hij op bevel van de politie enkele meters in de auto achteruit is gereden. Ten aanzien van dit feitencomplex en het noodzakelijke vermoeden is er geen grond om in het kader van de toepassing van artikel 130 en 131 Wegenverkeerswet anders te oordelen.

2.6.Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan niet de conclusie worden getrokken dat eiser als bestuurder met een te hoog alcohol promillage aan het verkeer heeft deelgenomen. Daarom kan daaraan niet het vermoeden worden ontleend dat eiser niet langer beschikt over de rijvaardigheid om een motorrijtuig te besturen.

Dat betekent dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering.

2.7.Het CBR heeft ten onrechte aan eiser een onderzoek naar zijn alcoholgebruik opgelegd. Om die reden is het beroep gegrond en vernietigt de voorzieningenrechter het bestreden besluit.

De voorzieningenrechter ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. Hij zal daartoe het primaire besluit van 7 juni 2024, waarbij het onderzoek aan eiser is opgelegd, herroepen.”

 

The post Onterecht maatregel CBR na op bevel politie verplaatsen auto appeared first on CBR-Advocaat.

]]>
https://cbr-advocaat.nl/onterecht-maatregel-cbr-na-op-bevel-politie-verplaatsen-auto/feed/ 0
Mag mutatierapport worden gebruikt door CBR om maatregel op te leggen https://cbr-advocaat.nl/mag-mutatierapport-worden-gebruikt-door-cbr-om-maatregel-op-te-leggen/ https://cbr-advocaat.nl/mag-mutatierapport-worden-gebruikt-door-cbr-om-maatregel-op-te-leggen/#respond Sun, 05 Jan 2025 14:05:01 +0000 https://cbr-advocaat.nl/?p=2139 Een vermoeden van ongeschiktheid hoeft niet te zijn gebaseerd op een ambtsedig opgemaakt proces-verbaal, maar ook kan worden gebaseerd op bijvoorbeeld een mutatierapport indien dit een voldoende nauwkeurige en uitgebreide omschrijving bevat van de waargenomen gedragingen die aan het vermoeden ten grondslag is gelegd (vg Rb Den Haag, 9 augustus 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:8253. Dit volgt ook […]

The post Mag mutatierapport worden gebruikt door CBR om maatregel op te leggen appeared first on CBR-Advocaat.

]]>
Een vermoeden van ongeschiktheid hoeft niet te zijn gebaseerd op een ambtsedig opgemaakt proces-verbaal, maar ook kan worden gebaseerd op bijvoorbeeld een mutatierapport indien dit een voldoende nauwkeurige en uitgebreide omschrijving bevat van de waargenomen gedragingen die aan het vermoeden ten grondslag is gelegd (vg Rb Den Haag, 9 augustus 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:8253.

Dit volgt ook uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 17 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:118:
“De rechtbank heeft terecht, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 24 augustus 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2306, overwogen dat naast een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal een mutatierapport een aanvaarde vorm is waarin door politieambtenaren waargenomen feiten en omstandigheden worden vastgelegd. Dat deze vorm met minder waarborgen is omgeven, brengt mee dat in procedures waarin een beroep wordt gedaan op de in een mutatierapport vermelde feiten, daaraan minder bewijskracht toekomt dan aan een proces-verbaal, zoals [appellant] op zichzelf terecht naar voren heeft gebracht. Dit betekent echter niet dat in een mutatierapport weergegeven jegens politieambtenaren afgelegde feitelijke verklaringen reeds terzijde moeten worden geschoven op basis van de enkele ontkenning van betrokkene op enig moment nadat hij die verklaring heeft afgelegd. Hierbij is van betekenis dat de mutaties zijn opgesteld door opgeleide politieambtenaren, die geen belang hebben bij hetgeen zij in de mutatierapporten vermelden als door hen waargenomen.”

The post Mag mutatierapport worden gebruikt door CBR om maatregel op te leggen appeared first on CBR-Advocaat.

]]>
https://cbr-advocaat.nl/mag-mutatierapport-worden-gebruikt-door-cbr-om-maatregel-op-te-leggen/feed/ 0
Rijbewijs terug na poging zelfdoding https://cbr-advocaat.nl/rijbewijs-terug-na-poging-zelfdoding/ https://cbr-advocaat.nl/rijbewijs-terug-na-poging-zelfdoding/#respond Thu, 05 Dec 2024 18:52:36 +0000 https://cbr-advocaat.nl/?p=2131 Ook na een vermoeden van een poging zelfdoding bestaat de mogelijkheid om het rijbewijs voorlopig terug te krijgen. Het zijn geen eenvoudige procedures en u moet de rechter ook wel mee hebben, maar het is mogelijk, zo blijkt uit de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland, 26 januari 2015, ECLI:NL:RBMNE:2015:523. In deze zaak bepaalde de rechter […]

The post Rijbewijs terug na poging zelfdoding appeared first on CBR-Advocaat.

]]>
Ook na een vermoeden van een poging zelfdoding bestaat de mogelijkheid om het rijbewijs voorlopig terug te krijgen. Het zijn geen eenvoudige procedures en u moet de rechter ook wel mee hebben, maar het is mogelijk, zo blijkt uit de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland, 26 januari 2015, ECLI:NL:RBMNE:2015:523. In deze zaak bepaalde de rechter dat de verzoeker zijn rijbewijs voorlopig toch terug kon krijgen, hangende het onderzoek bij het CBR.  De rechter motiveerde dit als volgt:

“Verzoeker heeft aangevoerd dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en onvoldoende deugdelijk is gemotiveerd. Verzoeker betwist dat sprake is geweest van poging tot zelfdoding. Op 9 november 2014 reed hij onder invloed van alcohol en geëmotioneerd door een ruzie met een vriend op de snelweg toen een auto hem van rechts wilde inhalen. Hier schrok hij zo van dat hij in een reflex naar links stuurde, waarbij hij tegen de vangrail kwam en waarop hij naar rechts stuurde. Alles gebeurde zo snel dat verzoeker de macht over het stuur verloor waarna hij tot stilstand kwam tegen de (rechter) vangrail.

Verzoeker heeft tegen de desbetreffende verbalisant die ter plaatse kwam gezegd dat hij tegen de vangrail was gereden en dat hij het er helemaal mee gehad had. Hierbij doelde verzoeker op zijn financiële en persoonlijke omstandigheden. Verzoeker stelt dat de verbalisant zijn uitlatingen onjuist heeft geïnterpreteerd in de betreffende processen-verbaal. Hij betwist dat hij gezegd heeft dat hij opzettelijk tegen de vangrail is gereden en dat sprake is geweest van een poging tot zelfdoding. Hij heeft voorts gesteld dat hij in het ziekenhuis, kort na het ongeluk, niet wilde verklaren toen de verbalisant hem wilde horen omdat hij helemaal uit zijn doen was en de agent aangaf dat hij er nog op terug zou komen. Voorts heeft verzoeker aangevoerd dat het proces-verbaal “aanrijding overtreding” onvolledig is, omdat enkel staat vermeld dat er schade is aan de rechtervoorzijde van de auto, terwijl er ook schade was aan de linkerachterzijde. Daar blijkt ook de slingerende beweging die de auto van verzoeker heeft gemaakt uit, aldus verzoeker.

13. De voorzieningenrechter deelt het standpunt van verweerder niet dat er op grond van de feiten en omstandigheden, zoals vermeld in de processen-verbaal, duidelijke aanwijzingen zijn dat verzoeker lijdt aan een aandoening waardoor hij geestelijk en/of lichamelijk niet goed functioneert, dan wel ernstige psychische problemen ondervindt. Uit de gedingstukken is de voorzieningenrechter onvoldoende duidelijk geworden waarom verweerder meent dat hiervan sprake is in het geval van verzoeker. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat de betreffende verbalisant in het proces-verbaal “aanrijding overtreding” niet letterlijk de woorden van verzoeker heeft weergegeven maar onder het kopje “vermoedelijke toedracht” weer heeft gegeven wat verzoeker volgens hem kort na het ongeluk ter plaatse heeft verklaard. Deze informatie is zeer summier. In het proces-verbaal “rijden onder invloed” is verwezen naar het proces-verbaal “aanrijding overtreding”. Verzoeker heeft voorts aangegeven dat het ongeluk erg veel impact op hem heeft gehad en hij daardoor uit zijn doen was. Dat was ook de reden waarom hij in het ziekenhuis, nog geen twee uur na het ongeluk, niets wilde verklaren. Bovendien had de verbalisant aangegeven dat hij er op terug zou komen. Voorts is ter zitting komen vast te staan dat het proces-verbaal “aanrijding overtreding” onvolledig is: er staat enkel in vermeld dat er schade is aan de rechtervoorzijde van de auto terwijl er ook schade was aan de linkerachterzijde. Dat past bij het verhaal van verzoeker dat hij geschrokken is van een auto die hem van rechts wilde inhalen en in een reflex naar links heeft gestuurd waarbij hij de vangrail aan die kant heeft geraakt en vervolgens de macht over het stuur is verloren en tot stilstand is gekomen tegen de vangrail aan de rechterkant van de snelweg. De voorzieningenrechter volgt verweerder evenmin in zijn standpunt dat sprake is van “ernstig gestoord inzicht of gedrag”, omdat weliswaar vast staat dat sprake is geweest van rijden onder invloed van alcohol, maar aan het bestreden besluit geen uitslag van het bloedonderzoek ten grondslag is gelegd.”

The post Rijbewijs terug na poging zelfdoding appeared first on CBR-Advocaat.

]]>
https://cbr-advocaat.nl/rijbewijs-terug-na-poging-zelfdoding/feed/ 0
Ontkenning bestuurderschap https://cbr-advocaat.nl/ontkenning-bestuurderschap/ https://cbr-advocaat.nl/ontkenning-bestuurderschap/#respond Thu, 10 Oct 2024 06:24:02 +0000 https://cbr-advocaat.nl/?p=2127 Als er bij een snelheidsovertreding geen staandehouding heeft plaatsgevonden, kan er twijfel ontstaat over het bestuurderschap. Dat kan onder omstandigheden reden zijn dat het CBR onder die omstandigheden geen maatregel mocht opleggen. Uit de uitspraak van de Afdeling van 14 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3712, volgt dat met voldoende zekerheid moet zijn komen vast te staan dat […]

The post Ontkenning bestuurderschap appeared first on CBR-Advocaat.

]]>
Als er bij een snelheidsovertreding geen staandehouding heeft plaatsgevonden, kan er twijfel ontstaat over het bestuurderschap. Dat kan onder omstandigheden reden zijn dat het CBR onder die omstandigheden geen maatregel mocht opleggen.

Uit de uitspraak van de Afdeling van 14 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3712, volgt dat met voldoende zekerheid moet zijn komen vast te staan dat de betrokkene als bestuurder is opgetreden. Daarvoor is echter niet noodzakelijk dat de betrokken bestuurder staande wordt gehouden. Ook op andere wijze kan de identiteit van de bestuurder met voldoende zekerheid komen vast te staan. In het geval de vaststelling van het CBR is gebaseerd op de constatering van een verbalisant, opgenomen in een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal waarin gemotiveerd is beschreven dat de verbalisant de bestuurder positief heeft herkend, mag het CBR daar in beginsel op afgaan. Dat is anders wanneer er aanleiding bestaat voor redelijke twijfel aan de in het proces-verbaal opgenomen waarneming van de verbalisant.

Het ligt dus steeds aan de feiten en omstandigheden van het geval, zoals verwoord in het proces-verbaal.

  • In ECLI:NL:RVS:2019:4402 ging het om een motorrijder die wegreed en een helm droeg. Hij ontkende dat hij gereden had, maar de verbalisanten omschreven dat ze client herkende en hij ook bij het later aantreffen glimlachte toen hij werd aangesproken. Dat vond de Afdeling voldoende.

The post Ontkenning bestuurderschap appeared first on CBR-Advocaat.

]]>
https://cbr-advocaat.nl/ontkenning-bestuurderschap/feed/ 0
Melding Marechaussee mag gebruikt worden door het CBR https://cbr-advocaat.nl/melding-marechaussee-mag-gebruikt-worden-door-het-cbr/ https://cbr-advocaat.nl/melding-marechaussee-mag-gebruikt-worden-door-het-cbr/#respond Thu, 14 Mar 2024 20:46:02 +0000 https://cbr-advocaat.nl/?p=2097 Ook meldingen die afkomstig zijn van de Marechaussee mogen door het CBR worden gebruikt om een maatregel op te leggen. Dat zien we in de uitspraak van de Voorzieningenrechter Limburg 12 februari 2021, ECLI:NL:RBLIM:2021:1189: De voorzieningenrechter overweegt dat uit artikel 159, aanhef en onder a, van de Wvw 1994 in samenhang bekeken met artikel 141, […]

The post Melding Marechaussee mag gebruikt worden door het CBR appeared first on CBR-Advocaat.

]]>
Ook meldingen die afkomstig zijn van de Marechaussee mogen door het CBR worden gebruikt om een maatregel op te leggen. Dat zien we in de uitspraak van de Voorzieningenrechter Limburg 12 februari 2021, ECLI:NL:RBLIM:2021:1189:

De voorzieningenrechter overweegt dat uit artikel 159, aanhef en onder a, van de Wvw 1994 in samenhang bekeken met artikel 141, aanhef en onder c, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) blijkt dat de door de minister van Veiligheid en Justitie in overeenstemming met de minister van Defensie aangewezen militairen van de Koninklijke Marechaussee belast zijn met de opsporing van de feiten, strafbaar gesteld in de Wvw 1994. Artikel 4, eerste lid, van de Politiewet somt de politietaken op die aan de Koninklijke Marechaussee zijn opgedragen. Het vierde lid van artikel 4 van de Politiewet bepaalt dat, hoewel bevoegd tot de opsporing van alle strafbare feiten, de militair van de Koninklijke Marechaussee die is aangewezen krachtens artikel 141 Sv zich onthoudt van optreden anders dan in het kader van de uitvoering van zijn politietaken, bedoeld in het eerste lid. Uit de memorie van toelichting op de Politiewet 2012 (Kamerstukken II, 2006/07, 30 880, nr. 3, p. 46) volgt dat is beoogd om de Koninklijke Marechaussee wat betreft haar opsporingsbevoegdheid in dezelfde positie te brengen als de politie. Het tweede deel van het vierde lid van artikel 4 houdt dan ook niet meer in dan een instructienorm. De rechtmatigheid van het optreden van een militair van de Koninklijke Marechaussee kan niet met een beroep op deze bepaling worden aangevochten.

Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat de verbalisant van de Koninklijke Marechaussee bevoegd was tot de opsporing van feiten die strafbaar zijn gesteld in de Wvw 1994 en dus ook tot de staandehouding van verzoeker in de onderhavige zaak.

In deze zaak ging het om een opgelegde EMG na een snelheidsovertreding. We zien dat de rechter eigenlijk vrij snel uitgaat van het proces-verbaal van de Marechaussee:

Heeft het CBR het opleggen van de cursus over verantwoord rijgedrag mogen baseren op het proces-verbaal?

14. Verzoeker betoogt dat het CBR het opleggen van de EMG niet heeft mogen baseren op het proces-verbaal. Verzoeker ontkent namelijk dat hij de verkeersovertredingen die in dat proces-verbaal zijn gerelateerd, heeft begaan. Ter onderbouwing van die stelling heeft verzoeker een schriftelijke verklaring overgelegd van [naam 2] die op

17 december 2020 achter hem aan reed.

15. De voorzieningenrechter stelt voorop dat een bestuursorgaan, in dit het geval het CBR, volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) in beginsel uitgaan van de juistheid van een op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal, tenzij verzoeker aantoont dan wel aannemelijk maakt dat daarvan niet langer kan worden uitgegaan (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 16 januari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BY8566). Dit geldt evenzeer voor de rechter, tenzij tegenbewijs noopt tot afwijking van dit uitgangspunt. Volgens eveneens vaste rechtspraak van de Afdeling is niet vereist dat het CBR eigen onderzoek doet naar de juistheid van de door de politie gerelateerde feiten, tenzij het objectieve redenen heeft om aan de juistheid daarvan te twijfelen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van

18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2409).

16. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoeker met de enkele betwisting van de waarnemingen van de verbalisant van de Koninklijke Marechaussee en de door [naam 2] opgestelde schriftelijke verklaring niet – op zijn minst – aannemelijk gemaakt dat niet langer van de juistheid van het proces-verbaal kan worden uitgegaan. In dit opzicht overweegt de voorzieningenrechter dat een verbalisant, als ervaringsdeskundige, voldoende in staat kan worden geacht om te observeren en te registreren. Een verbalisant heeft er geen belang bij om niet gedane waarnemingen aan de politiestukken toe te voegen dan wel onjuiste informatie over verzoeker te verstrekken. Verzoeker ontkent niet dat hij over het terrein van het tankstation heeft gereden en een bus heeft ingehaald. Ook [naam 2] heeft verklaard dat verzoeker het terrein van het tankstation op reed, even afremde en vervolgens door reed en een bus inhaalde. Voor zover verzoeker onder verwijzing naar de schriftelijke verklaring van [naam 2] betoogt dat hij de maximumsnelheid ter plaatse niet heeft overschreden, slaagt dit betoog niet. De verweten snelheidsovertreding betreft namelijk geen overschrijding van de maximumsnelheid, maar het rijden met een niet aan de snelheid van de overige gelijksoortige verkeersdeelnemers aangepaste snelheid. Nu er geen objectieve redenen zijn om te twijfelen aan de juistheid van de door de Koninklijke Marechaussee gerelateerde feiten heeft het CBR daarnaar geen eigen onderzoek hoeven te doen.

17. Een EMG wordt opgelegd, zodra iemand tijdens een rit herhaaldelijk gedragingen heeft verricht die in de Bijlage bij de Regeling zijn vermeld. Dit blijkt ook uit de toelichting van de Minister bij de Regeling (Staatscourant 25 september 2008, nr. 186). Hierin is vermeld:

Het tweede deel voorziet in een nieuw artikel 10b, waarin wordt aangegeven in welke gevallen de nieuwe EMG wordt opgelegd. Het gaat er hierbij om dat de betrokken bestuurder niet éénmaal bepaald gedrag heeft vertoond.

Dit betekent dat het kan zijn dat tweemaal wordt voldaan aan één criterium van Bijlage 1, onder A, onderdeel III, behorende bij de Regeling, maar dat het ook kan zijn dat éénmaal wordt voldaan aan twee verschillende criteria. De rechtbank vindt voor dit oordeel steun in de uitspraken van de Afdeling van 1 februari 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BV2438) en

8 november 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:3010). Uit het onder 4. genoemde proces-verbaal blijkt dat verzoeker met een hoge snelheid over een terrein van een tankstation reed, kennelijk om een rood verkeerslicht te vermijden, met hoge snelheid weer invoegde en een bus inhaalde, waarbij verzoeker langs de verkeerde zijde van een vluchtheuvel reed. Hierdoor reed hij tegen de juiste rijrichting in. Het CBR heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat is voldaan aan de voorwaarden voor het opleggen van een educatieve maatregel gedrag en verkeer, zoals bedoeld in artikel 131, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wvw 1994 in onderlinge samenhang bekeken met artikel 14, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling. Uit het proces-verbaal blijkt immers dat sprake is van incorrect samenspel met andere verkeersdeelnemers in het verkeer dat blijkt uit het rijden met een niet aan de snelheid van de overige gelijksoortige verkeersdeelnemers aangepaste snelheid. Daarnaast heeft verzoeker duidelijk een gedrag tentoongespreid dat in strijd is met de essentiële verkeersregels en verkeerstekens ter zake van de plaats op de weg, waaronder begrepen spookrijden.

Zijn er zwaarwegende redenen die maken dat verzoeker de EMG nu niet hoeft te gaan volgen?

18. Verzoeker betoogt dat hij de financiële middelen niet heeft om de kosten die verbonden zijn aan het opleggen van de EMG te betalen. Indien verzoeker deze kosten niet tijdig betaalt, wordt zijn rijbewijs ongeldig verklaard. Verzoeker heeft zijn rijbewijs nodig om naar zijn studie- en stageplek te gaan en vanwege regelmatige bezoeken aan het ziekenhuis, omdat hij aan suikerziekte lijdt. Dit is ook de reden dat verzoeker niet met het openbaar vervoer kan reizen. Indien hij dat doet, loopt hij een groot risico dat hij besmet raakt met het coronavirus en dit kan fatale gevolgen voor hem hebben.

19. De voorzieningenrechter stelt voorop dat artikel 14 van de Regeling dwingendrechtelijk is geformuleerd en daarom geen ruimte biedt voor een nadere belangenafweging. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kan het bestreden besluit standhouden en biedt het bezwaar geen redelijke kans van slagen.

20. De voorzieningenrechter begrijpt het betoog van verzoeker aldus dat verzoeker hem, ondanks hetgeen onder 19. is overwogen, toch verzoekt een voorlopige voorziening te treffen, omdat het spoedeisend belang van verzoeker daartoe noopt. De voorzieningenrechter overweegt dat hij in zeer uitzonderlijke gevallen kan oordelen dat de Regeling buiten toepassing moet blijven, omdat de gevolgen van de Regeling onevenredig uitwerken (zie in dit verband de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling van

3 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2889). De voorzieningenrechter onderkent dat het mogelijk ongeldig verklaren van het rijbewijs van verzoeker grote (en ingrijpende) gevolgen voor verzoeker kan hebben, omdat hij daardoor niet met zijn auto naar zijn stage, werk en naar het ziekenhuis kan rijden. Het is echter maar de vraag of deze gevolgen ook daadwerkelijk intreden, omdat verzoeker niet heeft onderbouwd dat hij de kosten die aan het opleggen van een EMG zijn verbonden niet kan betalen. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter dat verzoeker niet het hele bedrag van € 1.267,- dat aan het opleggen van de EMG is verbonden vóór 1 maart 2021 moet betalen. In de betaalfactuur is namelijk

vermeld dat het mogelijk is voor de uitvoeringskosten ter hoogte van € 834,- een betalingsregeling te treffen, wel moet verzoeker de opleggingskosten ter hoogte van € 433,- vóór 1 maart 2021 betalen.

Wat is de conclusie?

21. Gelet op het vorenstaande wordt het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen. De voorzieningenrechter is voorts van oordeel dat sprake is van een kennelijk ongegrond verzoek, zodat op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awb de behandeling ter zitting achterwege is gelaten.

22. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

The post Melding Marechaussee mag gebruikt worden door het CBR appeared first on CBR-Advocaat.

]]>
https://cbr-advocaat.nl/melding-marechaussee-mag-gebruikt-worden-door-het-cbr/feed/ 0
Vrijspraak in strafzaak; hoe zit het nu met de CBR cursus of het onderzoek? https://cbr-advocaat.nl/vrijspraak-in-strafzaak-hoe-zit-het-nu-met-de-cbr-cursus-of-het-onderzoek/ https://cbr-advocaat.nl/vrijspraak-in-strafzaak-hoe-zit-het-nu-met-de-cbr-cursus-of-het-onderzoek/#respond Tue, 20 Jun 2023 22:35:22 +0000 https://cbr-advocaat.nl/?p=2065 Regelmatig krijgen wij zaken van clienten die zelf geen bezwaar hebben aangetekend tegen een besluit van het CBR waarbij een cursus of een onderzoek werd opgelegd, of dat ze wel bezwaar hebben gemaakt, maar niet door hebben gezet naar beroep of hoger beroep. Later worden ze dan vrijgesproken door de politierechter of wordt de strafzaak […]

The post Vrijspraak in strafzaak; hoe zit het nu met de CBR cursus of het onderzoek? appeared first on CBR-Advocaat.

]]>
Regelmatig krijgen wij zaken van clienten die zelf geen bezwaar hebben aangetekend tegen een besluit van het CBR waarbij een cursus of een onderzoek werd opgelegd, of dat ze wel bezwaar hebben gemaakt, maar niet door hebben gezet naar beroep of hoger beroep. Later worden ze dan vrijgesproken door de politierechter of wordt de strafzaak geseponeerd. Ze willen dan ook de kosten van de cursus of het onderzoek terug krijgen of nog hier onderuit komen als ze het nog niet gedaan hebben en daardoor bijvoorbeeld het rijbewijs ongeldig is geworden. Hoe werkt dat?

Herzieningsverzoek na vrijspraak of sepot

Het antwoord op die vraag is niet eenvoudig. Het probleem is vaak dat het besluit van het CBR eigenlijk onaantastbaar is geworden omdat de bezwaar- en beroepstermijnen zijn verstreken. U kunt de cursus of het onderzoek of de ongeldigverklaring van het rijbewijs dan eigenlijk niet meer aanvechten. Dat had eerder gemoeten.
Er is echter een escape; als er een novum is, kunt u een herzieningsverzoek indienen bij het CBR en bij een afwijzing daarvan kunt u in bezwaar- en in beroep gaan.
Dit zijn echter lastige procedures.

Hoe werkt dat herzieningsverzoek

Een herzieningsverzoek is een verzoek aan het CBR om de zaak opnieuw te beoordelen. Kijkend naar de jurisprudentie inzake herzieningsverzoeken wil dat af en toe nog wel slagen. Dit lukt echter niet bij alle vrijspraken of sepots. Duidelijk moet worden vastgesteld dat de vrijspraak of het sepot het gevolg is van fouten die zijn gemaakt tijdens het politieonderzoek en dat daardoor zodanige twijfel is gereden dat – achteraf bezien – kan worden gezegd dat het onderzoek of de cursus ten onrechte aan de betrokkene is opgelegd.

Een voorbeeld zien we in de uitspraak van de Afdeling (ECL:NL:RVS:2021:961). In deze zaak overweegt de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State het volgende:

“3.4.    De Afdeling is van oordeel dat [appellant] door in beroep de processen-verbaal van de zittingen bij de politierechter over te leggen, aanvullend bewijs heeft geleverd van zijn stelling dat hij niet de bestuurder is geweest. Daarmee is sprake van nieuwe feiten en omstandigheden die aanleiding moeten geven tot heroverweging van het besluit van 12 september 2018. Vaste rechtspraak is dat de bestuursrechter in de regel niet is gebonden aan het oordeel van de strafrechter. Hier is echter niet alleen een aantekening mondeling vonnis overgelegd, maar ook aanvullend bewijs waarop de strafrechter zijn vrijspraak heeft gebaseerd. Er is verder sprake van een nauw verband tussen de feiten die in de strafprocedure zijn beoordeeld en die in deze bestuursrechtelijke procedure moeten worden beoordeeld. De vrijspraak gaat immers over dezelfde rechtsvraag, namelijk of [appellant] de bestuurder was, en het standpunt van het CBR steunt op dezelfde bewijsmiddelen als waarover de politierechter beschikte. De Afdeling ziet daarom geen ruimte voor het CBR om zonder een nadere motivering af te wijken van het oordeel van de politierechter.”

In deze zaak blijkt dus duidelijk dat iemand ten onrechte als bestuurder is aangemerkt. In zo’n geval wil de rechter instemmen met een herzieningsverzoek.

 

The post Vrijspraak in strafzaak; hoe zit het nu met de CBR cursus of het onderzoek? appeared first on CBR-Advocaat.

]]>
https://cbr-advocaat.nl/vrijspraak-in-strafzaak-hoe-zit-het-nu-met-de-cbr-cursus-of-het-onderzoek/feed/ 0
CBR moet binnen 6 maande een beslissing nemen https://cbr-advocaat.nl/cbr-moet-binnen-6-maande-een-beslissing-nemen/ https://cbr-advocaat.nl/cbr-moet-binnen-6-maande-een-beslissing-nemen/#respond Sun, 28 Nov 2021 23:15:36 +0000 https://cbr-advocaat.nl/?p=1964 Het CBR is wel verplicht om binnen 6 maanden na de datum van de overtreding een beslissing te nemen. Overschrijding van de termijn van vier weken als bedoeld in artikel 131, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 is geen fatale termijn volgens vaste rechtspraak van de Afdeling. De termijnoverschrijding van zes maanden van artikel 3, […]

The post CBR moet binnen 6 maande een beslissing nemen appeared first on CBR-Advocaat.

]]>
Het CBR is wel verplicht om binnen 6 maanden na de datum van de overtreding een beslissing te nemen.

Overschrijding van de termijn van vier weken als bedoeld in artikel 131, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 is geen fatale termijn volgens vaste rechtspraak van de Afdeling. De termijnoverschrijding van zes maanden van artikel 3, derde lid, van de Regeling is wel fataal, maar in het onderhavige geval is er sprake van een uitzondering, omdat in de aard van de zaak gelegen omstandigheden de termijnoverschrijding rechtvaardigen nu de melding pas later uit Duitsland kwam.  (tECLI:NL:RBLIM:2021:4371).

De rechtbank overweegt:

“Voor zover eiser heeft aangevoerd dat de termijn van artikel 3, derde lid, van de Regeling is overschreden, overweegt de rechtbank dat tussen de aanhouding van eiser en de hiervoor vermelde mededeling van verweerder meer dan zes maanden is gelegen, in dit geval niet maakt dat het vermoeden waarop de mededeling is gegrond niet op de aanhouding kan worden gebaseerd. Verweerder heeft in de aard van de omstandigheden van dit geval – te weten: eisers aanhouding heeft in Duitsland plaatsgevonden, waardoor verweerder pas veel later kennis heeft kunnen nemen van het feit en de ernst van dit feit (soft- en harddrugs zijn aangetroffen in het bloed van eiser) – reden kunnen zien voor een uitzondering op het voorschrift, dat de termijn niet langer dan zes maanden mag zijn. De melding vanuit Duitsland is pas 17 februari 2020 door verweerder ontvangen, hetgeen betekent dat verweerder pas na het verstrijken van de zes maanden termijn hiervan kennis heeft kunnen nemen. De melding kon dan ook niet binnen de termijn van zes maanden worden gedaan. Dat verweerder niet voortvarend te werk is gegaan nadat hij op de hoogte is gebracht van de informatie uit Duitsland, zoals eisers gemachtigde ter zitting heeft gesteld, en daardoor volgens eiser niet meer het recht had om een onderzoek naar geschiktheid op te leggen, volgt de rechtbank niet. De mededeling van verweerder als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wvw 1994 is op 30 april 2020 gedaan, terwijl verweerder eerst op 17 februari 2020 op de hoogte is geraakt van eisers aanhouding in Duitsland. Gelet op deze tijdspanne heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet dusdanig laat beslist dat gezegd moet worden dat verweerder eisers zaak te laat heeft opgepakt. De uitspraak waar eiser op heeft gewezen van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 5 februari 2019 (ECLI:NL:RBZWB:2019:414) ziet op een andere situatie en is naar het oordeel van de rechtbank niet vergelijkbaar, nu deze zaak geen melding vanuit Duitsland betreft. Deze beroepsgrond van eiser treft geen doel.”

The post CBR moet binnen 6 maande een beslissing nemen appeared first on CBR-Advocaat.

]]>
https://cbr-advocaat.nl/cbr-moet-binnen-6-maande-een-beslissing-nemen/feed/ 0